Het veiligheidshuis is een relatief nieuw ...
AIVD-materiaal in juridische procedures
Vroeger bestond een strikte scheiding tussen het inlichtingencircuit en het judiciële domein. Echter, in toenemende mate wordt AIVD-materiaal tegenwoordig wel gebruikt in rechterlijke procedures.
In het strafprocesrecht kan gewezen worden op de wet afgeschermde getuigen die op 1 november 2006 in werking is getreden, in het bestuursrecht (inclusief het vreemdelingenrecht) kan gewezen worden op de toepassing van artikel 8:29 Awb en artikel 87 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (zie ook uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State van 14 april 2009 en de bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangige zaak R.), en in het burgerlijk procesrecht vormt de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak Staat / Meinen (aangaande de voormalige omwonenden van Ayaan Hirsi Ali) een illustratief voorbeeld van de materie.
Grofweg komt de Nederlandse opvatting op het volgende neer: de nationale rechter heeft inzage in de zogenaamde 'onderliggende' stukken, maar de partijen niet. In het VK is bijvoorbeeld gekozen voor de constructie van 'special advocates', zodat ook de gemachtigde van de verdachte kennis kan nemen van de onderliggende stukken.
Een absoluut verbod op het gebruik van AIVD-materiaal in rechterlijke procedures lijkt om meerdere redenen onwenselijk. Het zou de effectieve berechting van personen verdacht van betrokkenheid bij terrorisme ernstig bemoeilijken. Het publiek zou het naar alle waarschijnlijkheid onbegrijpelijk vinden dat hoogst relevant bewijsmateriaal dat in handen is van een overheidsdienst, niet wordt gedeeld met de rechterlijke macht. Een absoluut verbod op het gebruik van AIVD-materiaal in rechterlijke procedures lijkt ook niet noodzakelijk vanuit EVRM-perspectief. In de Al-Nashif zaak oordeelde het EHRM: “Where national security considerations are involved certain limitations on the type of remedies available to the individual may be justified […] Article 13 requires a remedy ‘as effective as it can be’ ”. Ook de Guidelines of the Committee of Ministers of the Council of Europe on human rights and the fight against terrorism uit 2002 stellen dat “the imperatives of the fight against terrorism may . . . justify certain restrictions to the right of defence, in particular with regard to: . . . (ii) the arrangements for access to the case-file”.
Tegelijkertijd roept het gebruik van AIVD-materiaal ontegenzeggelijk mensenrechtelijke vragen op die voornamelijk betrekking hebben op het recht op een eerlijk proces, equality of arms, het recht op adversarial proceedings, de rechten van de verdediging, et cetera.
Probleemstelling
Nader beraden op de communicatie en interactie tussen beide kolommen: het werk van de inlichtingendiensten en het werk in het rechterlijk domein. Vanuit mensenrechtelijk perspectief is sprake van een zekere kwetsbaarheid bij de interactie tussen beide kolommen. In dat kader kan verwezen worden naar jurisprudentiële ontwikkelingen ten aanzien van artikel 13 EVRM (in hoeverre is nationale rechtsbescherming effectief in geval slechts een rechter de onderliggende stukken van een zaak kan inzien).
De informatieverstrekking tussen beide kolommen dient zodanig georganiseerd te zijn dat deze bruikbaar en houdbaar is mede in het licht van internationale standaarden.
Downloads
| Expert Meeting Paper | Downloaden ► |

